J. Derrida’s De la grammatologie : ter inleiding  [hfdst. 1/6]

© Bart Buseyne 2003-12-06

 

                   Er is

                   een buiten buiten

                   en

                   een buiten binnen

 

                            E. Spinoy

 

 

1 in het algemeen : opzet en deconstructie

Enige bemiddeling te bieden in de verdere ontsluiting van De la grammatologie  –door mezelf opnieuw in te lezen, en daar met jullie van gedacht over te wisselen, hoop ik ook mezelf, zoniet vooruit, dan toch verder te helpen.

Je zult het boek uiteraard zelf moeten lezen, zo je wil, later, zo dat je zint en zo je daarvoor de tijd kunt laten.  In het licht van de probleemstellingen die in De la grammatologie aan de orde zijn, kun je je echter afvragen wat zelf hier precies betekent.  De Franse psychoanalyticus J. Lacan liet ooit noteren dat, wanneer je spreekt, er eigenlijk steeds ook anderen meespreken.  In je spreken heb je het niet zonder meer alleen voor het zeggen, er zijn anderen die ook een zeg lijken te hebben in wat nochtans je eigenste spreken en je zeg zelf is.  Je zeg is doorgecomponeerd in de zeg van anderen, ja anonieme anderen.   Aansluitend kun je jezelf afvragen wie er zo allemaal meeleest wanneer je leest.   Het lezen heb je uiteraard moeten leren van anderen, die voor- en meelazen.   Je hebt zelf leren lezen, maar aan anderen.  Je mocht zelf lezen, zelf leren lezen, los en geëmancipeerd van het lezen van de ander, maar je moest dat aan de ander en aan het lezen van de ander aanleren.  Zonder die mancipatie zou je niet geëmancipeerd zijn geraakt in je lezen – wat meteen al aangeeft hoe een zekere emancipatie, van elke mancipatie, zonder meer ongewenst is.   Behoren wilderniskinderen, van wie wordt gezegd dat ze weliswaar door een teef werden gezoogd, maar zich verder autonoom uit de natuurstaat hebben geholpen, niet veeleer tot het rijk van de verbeelding : Tarzan, Mowgli… ?

(Dat je leest aan de anderen, is niet beperkt tot het lager onderwijs –anderen blijven steeds meelezen, en tot anderen keer je je soms ook expliciet, wanneer een handschrift je niet leesbaar lijkt of enkel leesbaar in zijn onleesbaarheid, of wanneer je op een vreemd woord stoot…  Bovendien, naar we met Derrida zullen kunnen beamen, beperkt zich het lezen niet tot letters op papier : je leest ook beelden en misschien is elke ervaring deels lectisch ?)

 

 Derrida’s moeilijkheid

Zoals geen enkele schrijver, is ook ‘Derrida’ niet « direct toegankelijk » of « intern intelligibel ».    Zijn schriftuur is niet intrinsiek verstaanbaar.  Om ‘Derrida’ te lezen, moet je al wat gelezen hebben, en misschien ook al wat ‘Derrida’ gelezen hebben.  Dit geldt uiteraard voor elke schrijver.  A brief history of time, van de beroemde Stephen Hawkings, kan ik makkelijk herkennen als een boek, gesteld in het Engels, en zelfs herkennen als een astronomisch boek, met mathemen.   Maar daar houdt het ongeveer op, ook al is dat in feite al heel wat.  Wie zich niet teveel kan voorstellen bij bijv. « imaginaire getallen », zal niet veel hebben aan die “imaginaire tijd” die iets uit niets laat ontspringen en de creatio ex nihilo dus intelligibel maakt.   In elk boek moet je je tot op zekere hoogte al gewerkt hebben, wil je je er verder in inwerken.  Daarom kun je al eens lezen, dat “lezen” eigenlijk “herlezen” is, ja “dat je een boek enkel kunt herlezen.”  

Een wiskundige die een uitwerking schrijft bij stellingen van Cantor zal er allicht niet door een leek op aangesproken worden, moeilijk te doen, als ie al tot zo’n boek komt welteverstaan, en waarom zou hij.  Nu wordt Derrida wel verweten moeilijk te zijn, of te doen, door filosofen die niet zo vertrouwd zijn met de traditie(s) van waaruit Derrida komt, relatieve buitenstaanders dus.  Uiteraard, zoals ook ‘W. Quine’ reeds een hele specialistische filosofische cultuur verondersteld, is ‘Derrida’ niet intrinsiek makkelijk, het vraagt een hele inspanning om je erin in te werken, en daarbij komt nog dat het nu eenmaal in de aard van een filosofische ‘onderneming’ ligt dat het niet eenduidig bepaald kan worden van waaruit je moet vertrekken in je ‘inleiding’.  (Dat geldt ook wel voor de astronomie, maar gezien de filosoof duidelijk signeert dan de astronoom, ligt het toch wel anders.) 

Wanneer men Derrida verwijt moeilijk te zijn, dan klinkt dat vaak accusatief, alsof ie moeilijk doet, of moeilijk maakt wat simpel gezegd zou moeten kunnen… Alsof Derrida veeleer flousofeert, filousofeert, frivoliseert, alles behalve filosofeert eigenlijk (zie En voyou, in het VMT 37/3)  –maar liggen (de zaken van) Plato, St. Aquino, Spinoza, Donald Davidson of Stanley Cavell dan makkelijker ?

 

Het cliché wil dat ‘Derrida’ nauwelijks te lezen valt.  Deze faam circuleert even wijd als zijn naam, en soms wordt te verstaan gegeven, niet dat het nu eenmaal tijd vraagt om zich wat in te werken, dan wel dat Derrida gewoon moeilijk doet om te verbergen dat hij eigenlijk niets te zeggen heeft, of leurt in een veeleer triviaal soort waarheid, die heel laborieus is verpakt, waardoor het heel wat werk vraagt om je tot de triviale inhoud te werken… (Ongetwijfeld houdt Derrida van de verpakking, en vindt hij dat de verpakking evenzeer tot het geschenk behoort dat het verpakte…)

 

Deconstruction for dummies ?

De reële, maar niet geheel uitzonderlijke, zelfs eerder banale moeilijkheid die het lezen van ‘Derrida’ nu eenmaal met zich brengt, kan uiteraard het verlangen wekken naar een goede bemiddeling, een initiatie for beginners, een guide op de maat van de behoorlijk toegeruste lezer die je al bent…

Een dergelijk verlangen inspireerde een plagende journalist ooit tot volgende openingszin, in een vraaggesprek met Derrida uit 1983 : « Un entretien avec Derrida ? Enfin, on va peut-être y comprendre quelque chose ! »  Het interview is een ander genre dan een wetenschappelijke publicatie, en men verwacht er soms een klaar en duidelijk, rechtaan toe antwoord te vinden, op vragen waar men als lezer niet uitkomt.  Op de pose van de journalist (want die journalist speelde ook zijn vraag, zelfs als hij zijn vraag geheel meende moest hij die ook spelen, i.e. opvoeren) repliceerde Derrida vooreerst met een bekentenis, geen schuldbekentenis, maar een eerlijk gemaakte (en gespeelde) toegift dat het hem bezeert dat sommige “lezers al op voorhand ontmoedigd raken” door de gereputeerde moeilijkheid van zijn tekst, een avertissement dat men heeft “van horen zeggen”.  (Een reputatie, stevig of anders, is ook een gerucht, en in de academische wereld gonst het ook van geruchten, dat mag gezegd en moet niet betreurd, ook al lijkt dit haaks te staan op het prestigieuze gerucht over de instelling van de academie.)

“Ik geef uiteraard nooit toe”, zo zei hij, “aan de verleiding om moeilijk te doen om moeilijk te zijn.  Dat zou maar al te belachelijk zijn.  Maar ik geloof in de noodzaak om de tijd te nemen, of beter : te laten, en de plooien niet glad te strijken.”  Moeilijkheden zijn er inderdaad niet bepaald om omzeild te worden, alhoewel dat uiteraard contekstueel ingeschat wordt.  “We zijn allemaal”, zo gaat Derrida verder, en hij heeft het dan vooreerst over de filosofen en al wie publiceert, maar wat hij te zeggen heeft geldt in feite voor eenieder, “middelaars, vertalers.  In de filosofie, net zoals in andere domeinen, moet je wel rekenen met het ongezegde van een geaccumuleerde reserve, en dus op een hele keten van schakels (onderwijs, kranten, tijdschriften, boeken, media), en op de gedeelde verantwoordelijkheid van deze schakels.”

 

Bemiddeling

Elk van ons heeft al ontelbare leraars en leraressen gehad, bijv. zij die ons voor altijd, onverbeterlijk aan het lezen hebben gezet, maar ook nu nog, halverwege het leven, staan we in het “levenslang leren”, aan anderen en het andere evenzeer als aan onszelf als ander.    We leren altijd al aan het andere en de ander, aan de andersheden, en dat houdt nooit op, dat was al zo nog vóór er van “levenslang leren” (als eis van de economie) sprake was.

Al die middelaars hebben op hun beurt vele leraars en leraressen gekend, die er eigenlijk evenzeer hebben toe bijgedragen dat die werelden waarin wij ons met enig gemak bewegen, ‘de wereld van Sofie’ evenzeer als ‘de wereld van het huis’, ‘van het museum’ of ‘van het www’ voor ons reeds een zekere gezifte, geschifte toegankelijkheid hebben.  We zijn tenslotte de kinderen van die kinderen, die onze ouders zijn geweest in de armen van hun ouders, die ooit ook zelf schreiende baby’s zijn geweest.   

In die gezifte, geschifte toegankelijkheid behouden die werelden waarin we ons bewegen en waardoor we worden gedragen, echter ook een zekere opaciteit, een duistere kant of geheimzinnigheid, waardoor die werelden ons ook ontsnappen, verrassen, weigeren en boeien.  We zijn altijd al voldoende én onvoldoende bemiddeld, voldoende en onvoldoende geincluseerd, en op onze beurt en op onze wijze zijn we ook zelf middelaars, en zelfs vaker ondanks onszelf, à notre insu.  (Een leraar geeft allicht door wat hij niet bezit !  Dit geldt zelfs voor het weten dat hij zogezegd bezit : bestaat onze noetieve en intellectieve sterkte niet veeleer buiten onszelf ? cf. mijn ‘Gesetzt, die Wahrheit sei eine Art Prothesen…’)

 

De structuur van bemiddeling heeft iets heel erg vreemds.  Middelaars verwijzen naar andere middelaars, doden evenzeer als ongeborenen (die in zekere zin ook al onze middelaars zijn, ook al bestaan ze niet, of beter : bestaan ze niet dan als schimmen).  Mensen staan altijd al in erfenissen, de erfenissen van het verleden evengoed als van de toekomst, en dat is de reden waarom de éérste mens geen wilderniskind kan zijn geweest, dat zichzelf uit de natuurstaat zou hebben geholpen, met wat hulp van de jungle en aan de tepels van een wolvin : de eerste mens kan enkel door God zijn geschapen, zei men vroeger, hij kan geen vinding zijn van zichzelf, maar is een vinding van het andere, van de geesten, de stamvaders en –moeders, van mensen die eigenlijk zo uitzonderlijk zijn dat ze een anders- of voor-menselijke, of ‘goddelijke’ en on-menselijke, monsterlijke… status hebben.  Dat is tenslotte wat elke « oorsprongsmythe » je verteld.

 

Binnenstebuiten

Dat een wereld –bijv. die het huis- ook een buitenkant heeft en dus om afscherming vraagt, om een zekere cultuur en herhaling, een zekere praktijk of opvoering, betekent ook dat  ze t.a.v. elkeen die zich in die sfeer met het nodige vertrouwen beweegt, een andersheid bewaart die à la limite onverteerbaar is, zei ik … (En misschien is de filosofie die sluipende vervreemding die haar van zichzelf scheidt en daarmee open houdt op zichzelf, als een niet-anticipeerbare, monsterlijke alter die in geen enkel schema past en die elk schematisme frustreert of interrupeert, cf. De la grammatologie, Exergue)

 

De ‘wereld van Sofie’ heeft voor ons altijd al een zekere toegankelijkheid.   Altijd al, om minstens 2 redenen.  Vooreerst kunnen we ons niet herinneren wanneer precies de filosofie (waar dat woord ook moge voor staan) een waarde is geworden.  En ten tweede, aangezien de filosofie altijd al, minstens achteraf, geimpliceerd lijkt in allerlei op het eerste gezicht niet-filosofische bedrijvigheden als de rechtspraak en de kliniek, het schoolse curriculum en de instelling van het museum bijv., of de lijn van de tijd en de tijd van de lijn (De la grammatologie, avertissement), is het niet duidelijk hoe we ons daar zonder meer buiten zouden kunnen bevinden.  Is er t.a.v. de filosofie wel een buiten-positie ?

Maar zo niet, hoe zit het dan met het binnen van de filosofie ? Wat kan dat zijn, het binnen of binnenste van de filosofie ?

 

Voor wie zgn. van buiten tot de filosofie zou willen toetreden, of wie van binnenuit verder in haar zou willen dringen, is er volgens Derrida in ieder geval geen droit à la philosophie.  Dit heeft dan ook alles te maken met de voorraad waarvan eerder sprake, de ge-accumuleerde reserve.  Men moet zich inwerken en dat veronderstelt een contekst of verband van verbanden dat niet in de zichtbaarheid gebracht kan worden, al was het omdat elke bepaling van die verbanden zich daaraan toevoegt als een extra.  Of anders : het begin is altijd al begonnen, in the beginning was the begun (J. Llewelyn) waardoor we geen echt begin kunnen maken, geen allereerste aanvang.  Het begin heeft m.a.w. eveneens iets onmenselijks : we bevinden ons altijd al ergens in de tekst, zonder dat we goed kunnen weten waar we ons precies daarin bevinden (als we ons al op één punctuele plaats bevinden tenminste, wat betwijfelt moet : zie hiervoor mijn (niet intact gepubliceerde) beschouwingen bij : Eddy De Vos, « I think we’re here… »)

Hier kunnen we ons afvragen waar een inleiding op De la grammatologie eigenlijk zou moeten beginnen, en waar ze voor jou zou moeten beginnen.  Allicht moeten we gewoon beginnen, waar we ons ook mogen bevinden, in een tekst (De la grammatologieL’exorbitant. Question de méthode).  (Het begin, suggereert een hondse Derrida, is eigenlijk een kwestie van flair !)

 

Deconstrueerbaarheid van het huis en van (het huis van) de filosofie

 

Dat een wereld (bijv. van het huis) een buitenkant heeft en dus om cultuur vraagt, een zekere huishoudelijke praktijk, een economie, een machine en een herhaling, betekent dat ze t.a.v. elkeen die zich in die sfeer met vertrouwen beweegt, toch een vreemdheid, of uitwendigheid bewaart.  Denk aan de nachtelijke bespoking die het huis kan overvallen.  Of aan de depressieve medemens die uit haar huishoudelijke routines is geweerd.  Het vanzelfsprekende is voor haar nietszeggend geworden, niet helemaal maar toch zo goed als.  Er lijkt welhaast geen appèl meer vanuit te gaan, het huishouden maakt zogoed als geen verschil meer, de depressieveling voelt zich niet sterk genoeg opgeroepen om nog te antwoorden. 

Ook de filosofie kan door deze interne vreemdheid, deze interne eldersheid worden geraakt, à la limite.  (Ik verwijs hiervoor naar de toelichting die ik daarover heb opgenomen in mijn Deconstructie en kunst).  Zaak is echter, dat deze mogelijkheid van vervreemding constitutief is voor de filosofie : zonder buitenkant heeft de filosofie geen kans, maar met die buitenkanten is ze ook van zichzelf gescheiden, past zij niet in haar  heden of haar tegenwoordigheid, en is ze dus onderbroken.  De filosofie is, als het huis, constitutief van haarzelf afgescheiden, ontwricht, gesplitst…

 

Bemiddeling : Lass dir Zeit

Er is geen directe toegang, geen waitless, geen instant access tot de filosofie, en evenmin tot De la grammatologie (of tot Searl of tot Davidson of tot het werk van Eddy De Vos, en zelfs niet tot het zgn. naieve realisme in de schilderkunst of the straight story in de cinema).   Je zult de tijd moeten nemen, i.e. laten.   Een wijsgerig werk vraagt steeds om de omwegen van veel werk en van veel studie, van de tijd die je neemt (actief) en die je laat (zeker passief).  Of zoals Derrida daarnet zei, “de noodzaak om de tijd te nemen, of beter : te laten”, en je moet daarin geloven, vooral als geloven betekent dat « niets zeker  is » (Mémoires d’aveugle). (Nee dus, De la grammatologie zal je –evenmin als de wet in Kafka’s verhaal- niet tot haar eigenste binnen toelaten, haar substantie is trouwens een anaseme crypte…- net als het binnen van de (positieve) wet of van het verhaal van Kafka zelf, of het diepste inzicht van W. Quine of A. Einstein.) (De natuur houdt van de crypte, zeiden de ouden ; is het historische en wereldveranderende e=mc² niet een crypteem dat eigenlijk niets inhoudt, niets betekent ?)

 

Lass dir Zeit, zou volgens de architect-filosoof L. Wittgenstein de groet moeten zijn onder filosofen : laat u de passiviteit van het in-de-tijd-zijn.  Denk met de tijd dus, cum tempus, niet in de zin waarin je de tijdsgeest moet representeren (Hegel dacht de tijd op begrip te kunnen/moeten brengen), maar in de zin waarin de contemporaniteit, de gelijktijdigheid juist wordt ontwricht, de zin waarin de tijd wordt gedeeld en open wordt opgehouden op zichzelf als alter, de eigen/oneigen alteratie die niet « de tijd van de lijn » is.  (En zoals Nabokov bedacht, je kunt een boek enkel herlezen.)

 

À la vie à la mort

 

Nu is de ongelijktijdigheid in de tijd geen abstractie van filosofen, ook al brengt de formulering je misschien op dat idee : cf. déjà vu, spook, trauma, de vrijwillige en de onvrijwillige herinnering, de Nachträglichkeit, het onbewuste affect, de hoop zonder verwachting…

Passiviteit in de tijd impliceert overgave en zelfverlies, net als de passiviteit van het ouderworden (filosofisch : de senescentie), en dat zijn zaken waartoe men niet echt het initiatief heeft en die men niet kan presteren, niet kan maken (in de zin waarin je een taak of huiswerk maakt of presteert), en die dus niet tot onze menselijke mogelijkheid behoren, ook al overkomt het ons,mensen wel voortdurend.  Het is een kans veeleer dan een mogelijkheid, en wel een kans van het onmogelijke.  Uiteraard houdt deze kans ook risico in, het risico van een absolute veronmogelijking.  Voor wat we hier nog te metafysich overgave en zelfverlies noemen, levert de dood dan ook een geschikt paradigma : “shifting into the otherness of invention, whose paradigm is death” (David Wills).   De dood als gunst dus, voor het overlevenden die ‘we’ zijn, of ver-zijn.

 

Ontwrichting

Volgens Derrida zijn ontwrichtingen, of de ontwrichtbaarheid wezenlijk voor de architectuur van het huis en voor de filosofie (zoals Derrida die ontvangt en doorstuurt, die beaamt).   Wezenlijk wil zeggen, dat de ontwrichting de mogelijkheid van de filosofie (of het huis) vormgeeft.   De ontwrichting is nooit zonder meer een ongeluk, een accident.  Ze is structureel en constitutief.

Die ontwrichting is niet zonder meer een filosofisch of huishoudelijk gegeven, ook al is het hun zaak méér dan iets anders.  Wat (het huis van) de filosofie bepaalt (naar haar mogelijkheid) kan niet zonder meer tot (het huis van) de filosofie zelf behoren.  Bovendien gaat het hier om een ontwrichting, een scheiding, een destructie die (het huis van) de filosofie treft als van buiten, en die het huishouden juist ontmantelt of ontwapent.  De begrenzing van (het huis van) de filosofie is daarom deel én geen deel van (het huishouden van) de filosofie, de limieten zijn haar mogelijkheid én veronmogelijking.  Voor Derrida is die instabilisering van de aard van de marge, het wit, de referentie en de differentie, en we lichten deze termen, of sommige althans, later verder toe.

 

zijn in deconstructie

In de ontwrichting is (het huis van) de filosofie in deconstructie.   De filosofie leeft daarvan, verzekert Derrida, zoals het huis of de wereld van de huiselijkheid ook leeft van de nachtelijke bespoking van het huis en de ver-unheimlichung van de familiariteit (zie daarvoor mijn bijdrage –[De vakanties van een herenhuis], in de catalogus van de tentoonstelling ad:res, Brussel-2000, culturele hoofdstad).  De deconstructie van de filosofie en de deconstructie van het huis is hun dood én bron, hun leven én dood : la vie la mort.   Of anders nog : de filosofie in deconstructie is overlevend, noch dood noch levend, beide. 

Zoals je merkt houdt Derrida de dood en het leven niet netjes uiteen, auseinander, in een exclusief vis à vis.  A la vie à la mort was trouwens de werktitel van de bundel die nu is verschenen onder de titel Chaque fois unique, la fin du monde.

Daarnet sprak ik van « bron én dood », en dat is een omschrijving die Derrida het supplement (l’écriture) meegeeft (De la grammatologie 108) : sa mort et sa ressource.  De filosofie (die Derrida begrijpt als het begrippelijk ter beschikking stellen van al het zijnde en het geheel van het zijnde, cf. Heidegger) is doortrokken van buiten, van afwezigheid, van schrift, en dat schrift is tegelijk haar bron, haar leven, haar kracht, als haar dood, haar weerloosheid, haar monsterlijke altereerbaarheid, haar niet te anticiperen toekomstigheid, m.a.w. haar weerloosheid en waardevolheid, de ‘reden’ waarom je haar mag of niet, haar kunt mogen of niet, ook al raak je haar spoor steeds ook kwijt…

 

Hegel’s way –het absolute

 

Op zijn manier heeft Hegel uiteraard de dood van de filosofie (en de negativiteit in het algemeen) gedacht, i.e. op begrip gebracht (m.n. als apotheose in het absolute –niet Hegel denkt, maar in hem is het het absolute hé, ‘Derrida’ signeert daarentegen, wat je deconstructief steeds moet of moogt).  De sterfelijkheid die Derrida de filosofie toemeet, per structuur, is van een andere aard.  Ik citeer even uit een interview van J. Derrida met D. Wills en P. Brunette apropos de visuele kunsten:

We weten dat, algemeen gesproken, we zo een 60-70 jaar leven en dan sterven we.  In die zin zal “deconstructie” als woord, of als thema verdwijnen.  Wat er zal gebeuren vóór dit verdwijnen weet ik niet.  Ik weet het echt niet.  Het geraakt vervormd en is een veeleer monsterlijk fenomeen, telkens weer anders en niet-identificeerbaar.  Het is als een virus, het is een virale vorm waarvan we het spoor bijster raken.  Het is onvermijdelijk dat op een bepaald moment het spoor dat identificeerbaar is in de naam ‘deconstructie’ verloren zal zijn geraakt, zoveel is duidelijk.  Het woord zal afgedragen raken.  Voorbij het woord ‘deconstructie’, of woorden die daarmee geassocieerd zijn, zal het proces enigszins anders verlopen.  Er zullen nog steeds organismen zijn met een onafhankelijke levens, waarvan we de trajecten zullen kunnen volgen, maar dat geldt uiteraard voor al wat er zich in een cultuur afspeelt.  Hoe volg je het spoor van de filosofie doorheen de geschiedenis? Dat weet ik niet.

 

De onmogelijke ontwrichting, de ver-onmogelijkende ondermijning, die (ver-werkende, werkeloos ver-nietigende) negativiteit voorbij de Hegeliaanse negativiteit (die werkt juist heel goed werkt, tot in de finale Aufhebung !) van de filosofie is wezenlijk voor haar toekomst.   Leven en dood van de filosofie vallen dan ook samen, zij het uiteraard zonder samen te vallen.  Er blijft een onpeilbare, niet te denken en niet te bepalen, en dus in zekere zin nietige gaping tussen beide.  De bron van de filosofie is in die zin dubbel, double.  Ze is double en spells trouble.  Ze werkt dilaterend, verscheurend.  Derrida’s trouble d’identité (zowel van hem zelf in persoon, als van de filosofie zoals hij die beaamt en doorstuurt, als van vele andere zaken zoals de kunst « die niet zonder fout is », en u en ik hier en nu, en ook dit hier en nu zelf enz…) is juist niet in Sein te keren, zoals Hegel schrijft in het voorwoord tot de Fenomenologie van de geest, omdat elke keer of elke kering–zoals het in De la grammatologie heet :  supplementair van aard is…  In elke keer is er volgens Derrida een andere keer, l’autre fois dans la première fois, en daarmee is nogmaals onderlijnt hoe je De la grammatologie (evenmin als Cantor’s stellingen eigenlijk, of Popper en Searle) voor eens en altijd achter je kunt hebben, net zoals je ook nooit je kindertijd achter je zult hebben en de endliche Analyse waarvan Freud spreekt, unendlich is…

 

Hegel vs. Derrida, dus

De filosofie is, volgens Hegel, begrensd, maar kan die grens denken.  De grens laat zich denken, en dat is dan ook de mogelijke opgave van de filosofie, in Hegeliaanse zin –een opgave die uiteraard hoge eisen stelt en moeilijk ligt.  Voor Derrida geeft de grens misschien wel te denken, maar ze is niettemin van de orde van het ondenkbare, het onmogelijke, wat niet ter beschikking kan worden gesteld en daarin dwingt.  Men kan aan de grens denken.  De grens is een veeleer onmogelijke opgave.  (Vandaar de affiniteit tussen de deconstructie en de experimentele literatuur, bijv..)

 

Evangelium vitae, Joh. Paulus II

Om de uitdrukking “dood en hulpbron” (Of grammatology 73) enig contrast mee te geven, wil ik even verwijzen naar een passage in de Catechismus van de Katholische Kerk, over de eucharistie (of de deelname daaraan) als “bron en hoogtepunt van het christelijke leven.”   De eucharistische bron spells no trouble.  Zij is een volheid, aan het begin zowel als aan het einde (alfa en omega).  Het Evangelium vitae sluit aldus geen saluut in à la vie à la mort.   Het sacrament van de eucharistie, i.e. van het volle leven, is dan ook geen Derridiaans perspectief, wiens salut geen « overwinning » (noch een « functionalisering ») betekent van de dood, t.t.z. van het overleven.  In de différance of het supplement is geen heil gelegen, althans geen heil dat niet supplementair zou zijn.

(Zoals Derrida elders heeft opgemerkt heeft de différance niets evangelisch  : je kunt er geen Rijk op bouwen, de supplementariteit is veelmeer de ondermijning van elk koninkrijk, cf. Flaubert infra.)

Het evangelie van het volle, ja eeuwige leven is, zo wordt verkondigd, een blijde boodschap, op de drempel van het heil (salus, salvation, zie : The three ages of J. Derrida, The L.A. Weekly).  Het dient zich aan, het openbaart zich als de definitieve overwinning van de dood, van elke negativiteit, elk verschil en elk uitstel, elke mogelijke ontwrichting enzovoort.   Het volle heil, het geheel intacterende herstel is echter veeleer een pipe-dream, zoals die ook Rousseau beweegt of bewerkt, in Essai sur l’origine des langues, naar we zullen lezen. 

 

De bestemmingsloosheid, of andersbestemdheid van de filosofie

 

De ervaring die men maakt –glijdend op al de wegen en omwegen waarop we ons nu al, zoals steeds, begeven, actief én passief - is ongetwijfeld die van een zeker uitstel van de toegankelijkheid.  De toegang laat te wensen over, maar dit is toch niet zonder meer negatief.

Zoals we  zullen kunnen beamen, houdt de filosofie ervan onderweg gehouden te worden.  De filosofie wordt telkens weer doorgestuurd, en dat is belangrijker dan een eventuele aankomst op een bestemming.  Hierin ligt al een soort ethiek van het lezen besloten, van het lezen met de tijd en met de ongelijktijdigheid in de tijd, van het ver-lezen.

De waarheid en de toegang laten te wensen over : de wens blijft over, blijft aanhouden, verdwijnt niet juist omdat ze niet wordt ingelost en daarmee wordt geannuleerd.  Misschien is de waarheid juist dit, de opgegeven openheid.  Die openheid of bres, die scheur wordt soms de ander of het andere genoemd, en je kunt ook spreken van andersheid of alteriteit, zij het dat de andersheid hier zonder wezen, zonder identiteit, zonder substantie, of zonder zelfheid blijft.  De waarheid is altijd komende.  Ze is messiaans, maar dan zonder (historisch) messianisme, zoals Derrida zou zeggen.  Ze is een belofte die niet wordt ingelost, en dat is héél de zin ervan.

 

Naar aanleiding van de 60ste verjaardag van Derrida stuurde Ann Van Sevenant  hem een kaartje met gelukwensen.  Een maand later viel het kaartje bij haar terug in de bus.  Ineens –zo schrijft ze in Deconstructie, een boekje dat me zeer genegen is, en tegelijk heel vreemd is-

werd me het hele verhaal van de deconstructie duidelijk.  Ik zou niet treuren om het niet bereiken van de bestemming.  Het kaartje kreeg immers, geheel buiten de bedoeling van zijn verstuurder om, een andere bestemming.  Ik verheugde mij voor het gekomen inzicht: in het schrijven gaat het niet in de 1ste plaats om het bereiken van de gewenste bestemming, maar om het feit zelf van het schrijven en dat we prentkaarten blijven versturen!

 

Het grammatologische uitstel

De filosofie houdt ervan, onderweg gehouden te worden, naar we zeiden.  Ze komt niet aan.  Het doorgestuurd zijn is belangrijker dan de aankomst, en dit geldt ook voor De la grammatologie.  Het lezen van het boek, dat een zekere nadering bewerkt, houdt –paradoxaal !- de tekst ook onderweg, waardoor de waarheid ervan verder wordt geforward.  Deze é-loignement raakt ook de auteur (Éperons). 

Doordat geen enkel boek (zoals ook de filosofie of het huis en zelfs de religie) aankomt, nooit echt, i.e. niet aankomt zonder rest te laten, i.e. niet aankomt zonder ook niet aan te komen, behoudt ze haar bestemdheid in zich.

 

Topologie I

Een enkel woord over de topologie van deze inleiding : welke plaats neemt de inleiding in? We zijn nu begonnen voor we beginnen aan De la grammatologie.  Het (her)lezen van De la grammatologie  schuiven we door naar later, uitstel.  Jullie dachten misschien, “voor we beginnen, gaan we eerst iets opsteken bij die meneer Buseyne, en dan…” -dan zien we wel ja.  Voor het boek zelf, voor de tekst zelf keren jullie morgen wel terug.  Of zoals Shakespeare schreef : “morgen en morgen en morgen”…  Da’s heel goed zo.

 In het boek zelf, eenmaal opengeslagen, stuit je eerst op de Franse voorpagina en de avertissement, de waarschuwing zo je wil, en dan het exergue, de motto-tekst die wel en niet tot het essai behoort.

En als je het helemaal uit hebt gelezen, kun je uiteraard opnieuw beginnen : de 1ste lezing is een lustpremie, een voorschot, een preface op een verdere lectuur.  Nooit krijg je de tekst opgeheven : ze blijft vóór je liggen, ook al heb je net een leesbeurt achter je in de tijd.  Alsof achter vanzelf inverteert in voor, en het historische zo een dubbele plaats bezet, a tergo én a fronte.  Geen enkele lectuur put de leesbaarheid uit, i.e. een lectuur laat het boek, de tekst haar onleesbaarheid, haar maagdelijkheid (elke keer als nieuw), d.w.z. haar as, waardoor ze nooit past in een heden, in een betekenis die je je toe kunt eigenen, en zo wordt het boek onderweg gehouden en krijgt het toekomst, tot in het monsterlijke.   (Plato zou ons, de lezer van de 21ste eeuw, misschien monsters noemen, pervers in een trouw aan de tekst die ontrouw inhoudt…

 schema : … > inl. dhr. Buseyne > avertissement> exergue > 1ste lezing > 2de lezing > …

        

Topologie II                                 

Omgekeerd, het boek kun je als een toelichting bij mijn inleidende aanvulling beschouwen, of als een achteraf op je leven en je vele leeservaringen.  Zoals de exergue het boek kadert, kadert het boek de exergue.  Of gaat de 2de lezing je dingen vertellen over wat je de 1ste keer hebt gelezen, of zult hebben gelezen. 

Het boek, dus, als toelichting achteraf bij de toelichting vooraf (de inl. van meneer Buseyne) :

schema : … > 2de lezing> 1ste lezing > exergue > avertissement > inl. dhr. Buseyne >…

Wanneer het boek zelf verschijnt als aanvulling op de aanvulling op de inleiding, kun je spreken van supplementariteit.  Wat er later bijkomt, licht het voorafgaande toe, en gaat er in die zin ook aan vooraf.  “L before K” is trouwens de titel van de Translator’s Preface tot Derrida’s Postcard.

 

Principiële postaliteit/postale principialiteit  (een politiek moment)

 Wat je zult hebben gelezen, de eerste keer : kan niet worden voltooid, de voltooiing wordt onderweg gehouden, en misschien is dit juist de waarheid, het postaal principe van de waarheid, of de waarheid als postaal principe.  (Toegepast in de politiek : G. Flaubert hield naar eigen zeggen van geen enkel gestabiliseerd regime in het bijzonder, i.e. niet van de dictatuur en niet van de democratie, maar wel van een bestel dat van zichzelf aan het verschillen is, i.e. een bestel dat aan het veranderen is, anders aan het worden is, aan het ver-worden of ver-zijn is.)

Wat zul je hebben beloofd wanneer je het ja-woord gaf ?

Zoals Kundera schreef in The unbearable lightnessa girl who longs for marriage longs for something she knows nothing about, en dit niet-weten is structureel onophefbaar.   Wezenlijk onophefbaar : elke invulling is voorlopig, vult in en vult uit, i.e. resteert en wordt zelf onderweg gehouden.  Zo gaat het niet alleen a girl, u en ik, maar ook de filosofie, de kunst, De la grammatologie

 

Tekstualiteit

Tekstualiteit houdt in, te leven, of beter : te overleven, met de tijd in de alteratie, met de afwezigheid in de intimatie, in het spoor van betekenis.  Het is niet eenvoudig dit voor ogen te houden, cf. de verblinding van het supplement (De la grammatologie, « Ce dangereux supplement… » naar we zullen lezen).  De tekstualiteit, het lezen en herlezen is iets wat tegen de vlucht vooruit in de betekenisimaginaties moet worden gevrijwaard, herwonnen.   Daar is echter geen inhoud in gelegen, uiteindelijk openbaart zich slecht de onophefbare onleesbaarheid, d.w.z. de steeds te hernemen leesbaarheid van de tekst.

Concreet : bijbelstudie is eigenlijk het steeds weer vrijwaren, redden van de tekst tegen de vlucht in de betekenisverbeelding, de waan van de zinswaarheid.  Theologie is een harde strijd.  Imaginaties moeten steeds weer aangewreven worden tegen het spoor, de tekst, de referentie, het andere… en dit om de belofte van de tekst als toekomst, i.e. de andere bestemming open te houden.  Daarin is een soort moeten gelegen, het deconstructief moeten dat met gerechtigheid te maken heeft (ja aan het andere, het afwezige, het vreemde dat de betekenistotalisaties verbreekt of onderbreekt, de scheur, de instabilisatie).

 

PS : George W. Bush leest elke ochtend in de bijbel, op zijn eentje, zonder controle op wat hij zichzelf daarbij vertelt…  Dit is een suggestief beeld: Georgie boy die zich vergaapt, bouche ouverte, in de zelfbesloten imaginatie … 

 

2. As if he were dead : Leven en werk van Jacques Derrida

 

°15 juli 1930,  El Biar, nabij Algiers, in Algerije

1949 internaat in Marseille, daarna filosofie

1952-3 maakt kennis met Marguerite Aucouturier

1953-4 Husserl archief KU Leuven

1956-7 Harvard University

1959-60 leraar aan het Lycée du Mans; eerste conferentie (over E. Husserl)

1962-64 Assistent aan de Sorbonne, o.a. van P. Ricoeur

1962 Introduction à l’origine de la géométrie (E. Husserl)

1966 Baltimore : La  structure, le signe et le jeu

1967 L’écriture et la différence

         La voix et le phénomène

         De la grammatologie

1968 seminarie aan de univ. Berlijn; reist steeds vaker binnen, en buiten Europa

1974 Greph

1975 Yale – zgn. Yale School of Deconstruction. 

1980 Decade (Cérisy la Salle) à partir du travail de J. Derrida

1983 Collège internationale de philosophie

1986 eredoctoraat KU Leuven

1989 Deconstruction and the possibility of justice –symposium aan Cardozo   Law School, Columbia in  NYC

1993 Spectres de Marx

1999 Decade l’animal autobiographique – l’animal

         que donc je suis (à suivre)

2000 Adorno prijs

2001 Decade la démocratie à venir

         Derridathemovie

2002 Voyous

2003 Philosophy in a time of terror (het met J. Habermas moet goed begrepen worden)

2004 Life after Theory

 

3. De la grammatologie onder andere data

1912 Titanic

1915 Cours de linguistique générale

1927 Sein und Zeit

1930 Het onbehagen in de cultuur

 

1943 L’être et le néant

1947 Introduction à la lecture de Hegel

1949 Les structures élémentaires de la parenté

        La part maudite

 

1953 Mythologies : tour de France als epos met de moraal van een western

1959 Le Livre à venir

1961 Totalité et infini.  Essai sur l’extériorité

1962 Nietzsche et la philosophie

8 juli 1962 G. Bataille+

8 juli 1963 B. Buseyne°

 

1965 Lire le capital

1966 Les mots et les choses

         Écrits

1968 Différence et répétition