Tekst: BART BUSEYNE


Avertissement : voorbericht, aanmaning, waarschuwing : preface

    Soort waarschuwing aan het adres van de lezer : wat goed om weten is voor je eraan begint, waar je je niet in moogt vergissen, en je kunt nog kiezen om desnoods niet verder te gaan. 

    Vgl. : « de namen of karakters in deze film zijn geheel fictief en elke overeenkomst met bestaande personen is toevallig », « dit boek is niet geschikt voor kinderen onder de 16 jaar », « parental guidanceexplicit lyrics »

     Derrida legt er in uit, hoe het boek –cet essai- is opgebouwd, uit 2 delen waartussen een bepaalde verhouding bestaat die par commodité, gemakshalve, gekarakteriseerd wordt als die waarin een theoretische matrix en een toets aan een voorbeeld, lijken te staan : het tweede deel is het moment, s’il l’on veut, van het voorbeeld alhoewel deze notie hier, in alle gestrengheid, niet ontvankelijk is.

      Het tweede deel biedt een slechts geschetste lectuur van wat wordt genoemd : l’époque de Rousseau/the age of Rousseau.

 

Epoche : Gr. constellatie ; later : rustpunt in tijdrekening, en vandaar ook : tijdvak.

 

Epoque : tijdstip of –vak gekenmerkt door een zeer bijzondere gedenkwaardige gebeurtenis of reeks gebeurtenissen.

 

     L’époque : -tijdvak : min of meer (enigszins arbitraire) afgebakende periode in wat de geschiedenis wordt genoemd (l’histoire is een logocentrisch-theologische notie, maar uiteraard moeten we het met de taal van de metafysica doen) : cf. steentijdperk, atoomtijdperk, de hoge ME, de scholastiek, belle époque…

      Vormt een soort totalité historique : een historische totaliteit, een afgerond totus.

      Figure structurale : van een structuur kunnen er verschillende figuren worden onderscheiden.  « L’époque de Rousseau » is die van de (structurele mogelijkheid van de) verinnerlijking.  Die époque lost de platoons-christelijke af.  Cf. cogito ; protestantisme.  Staat niet los van technische ontwikkeling mn. de boekdrukkunst en het stil en alleen lezen dat verspreid raakt.

      Figure structurale als mogelijkheid, per structuur, we zetten het historische detail (de contingentie van de geschiedenis) even tussen haakjes, om een soort logisch schema op te stellen. 

     Onderscheid tussen structuur (een soort logische ruimte die achter de fenomenen wordt gesitueerd en die de fenomenen kan verklaren in hun totaliteit en samenhang) en contingente historie :

          L. Boeve, Onderbroken traditie :

             -is die onderbreking van de christelijkje traditie (transmissie) een historisch accident ?

             -dan wel een structureel gegeven ?

      epoché : fenomenologische reductie, Einklammerung, tussen haakjes zetten

      Paul de Man, in The rhetoric of blindness : je moet het 1ste deel ongelezen laten, en beginnen met het 2de deel.  Het eerste moet tweeds komen.

      Époque passée : it’s over, die « age of Rousseau ».  Er zijn veel tekenen, feitelijke aanwijzingen dat die periode, dat vak voorbij is.  Wij zitten er niet meer in opgesloten, in die historische totaliteit, we vallen er uit zoals we ook buiten een bepaald subjectiviteitsdenken aan het vallen zijn.  Niettemin geniet die époque (structuur zowel als totaliteit) een zekere leesbaarheid en de daadwerkelijkheid (efficacité heeft een verwante semantiek : efficere, facere=doen) van een model (dat men kan navolgen). 

  

Exergue

      exergue : Gr. ex ergon : inscriptie, motto, meer precies : ruimte op een muntstuk onder de kop of het wapen voor een inschrift of datum. 

       Derrida houdt van dit woord, dat met al zijn nuances in talrijke publicaties terugkeert.  Er is vooreerst de economische klank : het exergue is een motto op een geldstuk dat van hand tot hand gaat en in die circulatie (geld circuleert) zijn waarde krijgt.  De waarde van een geldstuk stijgt met zijn gebruik.  Dat geldt ook voor teksten en afzonderlijke woorden.  Het weinig gebruikt woord heeft voor velen geen waarde ! Het is niet evident om het woord evident te bezigen in een BSO-klas.  Die verrijking neemt de vorm aan van een niet te overzien betekenisveld.   Het is dit oncontroleerbare proces dat tot uitdrukking komt in het woord errance, dwaling/vrije loop/omzwerming, dat in de exergue voorkomt.  Wij dwalen ook allemaal, door teksten en talen.

      In het intensief gebruik van woorden of muntstukken treedt ook verlies op : het muntstuk slijt af en wordt daardoor steeds minder waard.  In het dagelijks hanteren tendeert het woord naar de platheid van een eendimensionaal begrip.  Het motto, het exergue is, met de beeldenaar, het eerste dat van een munt wordt afgewist. 

       In het woord exergue verdicht zich de hachelijke status van de munt en van de tekst, die als geheel gespannen staat tussen een voortdurend verlies (dood) én een voortdurende winst (van waarde, van betekenis) (bron).

       Het exergue is ook als een ex-ergue te lezen, een hors d’oeuvre dat buiten het werk –l’essai- ligt.  Vraag is of het zin heeft bij een eerste lezing, m.a.w. of het niet nog ‘onbegrijpelijk’ blijft.  Het ex ergue verkrijgt pas zin in zijn verhouding tot de tekst zelf, als een concentratie of synopsis daarvan, een tegenstelling daartoe of een parodie daarop.  Het motto wekt aanvankelijk dan ook eerder verwondering op, het legt een dwaalweg (errance) open naar een nog ongelezen tekst.   

      Moeten we de interpretatie ervan niet even opschorten ? Anderzijds : in elke interpretatie zit opschorting !