Regressieve utopie of reflexieve modernisering

Ullrich Melle


Globalisering benoemt een proces van globale uitbreiding en verspreiding door de afbouw, het verdwijnen en het overstjigen van lokale, regionale, nationale en continentale grenzen. Wat globaliseert is het industrieel kapitalisme, de grote machine van wat Prof. Vermeersch jaren geleden het WTK-bestel noemde. Het bestel uit moderne Westerse wetenschap,  op deze wetenschap gestoelde techniek en kapitalisme zet zijn blijkbaar onstuitbare opmars voort. Zijn reproductie en verdere expansie vereist thans een globale schaal. Het zijn in eerste instantie de noden van het kapitaal op het niveau van zijn huidige ontwikkeling waaraan de neo-liberale politiek tracht te beantwoorden.

Kenmerkend voor de derde industriële revolutie in de vorm van de automatisering en informatisering en de dwang tot voortdurende technologische innovatie is een onverzadigbare honger naar kapitaal. De onbelemmerde globale beweglijkheid van het kapitaal wordt een absolute voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van het industrieel kapitalisme. In nooit geziene omvang wordt menselijke arbeid door kapitaal vervangen, “weggerationaliseerd”  wat tot het probleem van de massale structurele werkloosheid leidt. Het kapitalisme ontslaat zijn arbeiders. Een groot deel van de wereldbevolking leeft thans buiten de formele economie.

De neoliberale omwenteling in dienst van de kapitaalbehoeften heeft de gekende dramatische sociale en ecologische gevolgen. Opnieuw en voor de zoveelste keer worden de levenskansen en het welzijn van hele generaties opgeofferd voor de vage belofte van een betere toekomst.

De grote machine van het WTK-bestel is totalitair in die zin dat dit bestel inherent streeft naar totaliteit, naar alomvattendheid. Culturele verschillen in leefwijzen, opvattingen en verzuchtingen zullen op termijn alleen nog kunnen voortbestaan zover zij niet in conflict komen met en geen bedreiging vormen voor de uitgebreide reproductie van het WTK-bestel. Dit bestel kent geen andere werkelijkheid dan die van wetenschappelijke feiten, van bewerkbare grondstoffen en manipuleerbare natuurkrachten én vooral van koopwaar. Wat zich niet laat kennen met de methodes van de wetenschap, wat zich niet technisch laat omvormen en manipuleren en wat zich niet in geldequivalenten laat uitdrukken, is niet werkelijk, is subjectieve schijn, fantoom, is irrationeel, een overbljfsel van een archaïsch verleden.

Wetenschap en technologie worden steeds nadrukkelijker gefunctionaliseerd voor de kapitaalbehoeften. Het industrieel kapitalisme doordringt en bepaalt stilaan alles, is grenzeloos, kent geen taboes, verandert alles in koopwaar, laat niets met rust, is globaal, totaal, monomaan. Alles moet worden opgeofferd op het altaar van de concurrentiekracht, van het winstbejag en van de economische groei.

Het valt moeilijk te ontkennen dat de geschiedenis van de modernisering als de geschiedenis van het ontstaan en de uitbreiding van het WTK-bestel een vreselijke tol heeft geeist van mens en natuur. De Europese kolonisatie, het vroege kapitalisme in de zeventiende en achttiende eeuw, de eerste industriële revolutie, het imperialisme, de tweede industriële revolutie van het fordisme en taylorisme, het neo-kolonialisme en thans de derde industriële revolutie en het neo-liberalisme, elke ontwikkelingsfase heeft het leven, welzijn en geluk van talloze mensen gekost en een onmetelijke natuurlijke rijkdom verwoest. 

Men heeft getracht en tracht nog steeds het WTK-bestel zelf vrij te pleiten van deze sociale en ecologische katastrofes. Zij zouden het gevolg zijn geweest van de nog niet overwonnen irrationaliteit. De zuivere rationaliteit van de schone machine van het WTK-bestel was nog niet doorgedrongen in alle poriën van de samenleving, ze bepaalde nog onvoldoende de motieven en het gedrag. De modernisering, zo wordt het voorgesteld, is een lang en soms pijnlijk leer- en rijpingsproces waarin de nieuwe verlichte Adam en Eva  worden gevormd.

Een veel aangehaalde verdediging van het WTK-bestel waaraan velen zich met het oog op de zich opstapelende katastrofes vastklampen, luidt: hoe erg het thans ook is gesteld met de mensheid, vroeger was het nog veel erger. Daarbij denkt men dan echter meestal aan voorbije fasen van de moderniseringsgeschiedenis zelf. Zelf de vooruitgang in deze bescheiden vorm is echter globaal gezien erg twijfelachtig. 

De mensheid lijkt thans meer dan ooit gevangen in een spiraal van vernietiging en geweld. Het menselijke huishouden wordt verscheurd door schrijnende sociale onrechtvaardigheid en onbeheersbare, dijkwils bloedige conflicten. De verstoring en vernietiging van het natuurlijke milieu gaat nauwelijks gehinderd door. 

Met het oog op deze globale eco-sociale crisis, op wijdverspreide materiële en psychische ellende, op globale problemen die nauwelijks meer beheersbaar zijn, dringt zich de vraag op: Hoe zijn wij in deze neerwaartse spiraal terechtgekomen en wat houdt ons in deze spiraal gevangen? Waarom hebben de vooruitgang van wetenschap en kennis, de idealen van de verlichting, de verklaring van de mensenrechten, economische groei, de democratie en de technologie geen betere wereld voortgebracht? Waarom leidt de moderne mobilisering van de productieve krachten van mens en natuur tot zoveel massagraven, tot zoveel sociale en ecologische puinhopen? Waarom lijkt er geen einde te komen aan de tunnel, waarom moet er zoveel opgeofferd worden om een doel te bereiken dat steeds ongrijpbaarder lijkt: een menselijk en menswaardig bestaan voor iedereen?

De moderne tijd hield de belofde in de mensheid te bevrijden van vastgeroeste tradities, van onrechtvaardige privileges, van bijgeloof en onmondigheid, van materieel gebrek en geestelijke armoede, van sociale dwang en onderdrukking. Hoe vallen deze edele bedoelingen te verzoenen met de holocaust aan de indianen, met de medogenloze uitbuiting in het fabriekssysteem, met de meest gruwelijke oorlogen, die de mensheid gekend heeft, met de concentratiekampen en gulag’s en met de ecologische vernietiging? Zijn wij misschien gedoemd, voorbestemd om de aarde te verwoesten en onszelf uit te rooien? Zijn alle goede bedoelingen en verheven idealen machteloos tegen de onverzadigbaarheid, de machtswellust en de drift om de vernietigen?

Het antropologisch pessimisme is zeker een al te simplistische verklaring voor onze beschavingscrisis omdat het de historisch-culturele dimensie van ons menszijn en de daarmee gepaard gaande gedifferentieerdheid en complexiteit von het menselijke bestaan ontkent. De natuur van de mens kan niet meer gescheiden worden van zijn culturele bepaaldheid: de conditio humana is sinds lang natuurlijk-cultureel. Wij zijn als soort ontstaan in de natuurgeschiedenis maar in ons soortkarakter ligt vervat dat wij ons in groeiende mate onrechtsstreeks zelf bepalen door cultuur.

Cultuur is gestolde, geobjectiveerde geest die zich al dan niet kan incarneren in materiële structuren in de vorm van artefacten. De dialectiek, de terugkoppeling van subjectieve en objectieve, van levende en dode geest is bepalend voor de menselijke conditie. Ons fundamenteel probleem is de groeiende macht van de dode geest, van wat wij hebben voortgebracht, over de levende geest. Met behulp van de cultuur bevrijden wij ons, tot op zekere hoogte, van de natuurdwang om hoe langer hoe meer onderworpen te zijn aan de dwang van de cultuur. Aan het sociale contract ligt echter een ecologisch contract ten grondslag: op het meest elementaire niveau betreft dit de wijze waarop de samenleving haar voedsel vergaart. Het overgrote deel van de menselijke soortgeschiedenis gebeurde dit in de vorm van jacht en pluk. Sinds ruim tienduizend jaren gebeurt dit steeds omvattender in de vorm van  landbouw en veeteelt op de grondslag van de domesticatie van planten en dieren.

De gangbare en nog steeds wijdverspreidde opvatting van de neolitische revolutie als de grote bevrijding uit een primitief, slechst half-menselijk zwerversbestaan wordt thans in de antropologie en in de humane ecologie sterk gerelativeerd of zelfs radicaal afgewezen. Ten eerste wordt de nadruk gelegd op de continuïteit en gradualiteit van de ontwikkeling die tot de landbouw heeft geleid, ten tweede wordt op de technische, sociale en culturele prestaties van de paleolithische mens gewezen, en ten derde worden de negatieve gevolgen van landbouw en veeteelt voor de ecologie, de samenleving en de menselijke psychologie onder de aandacht gebracht.[1] Veel wijst erop dat landbouw eerder een vloek dan een zegen was voor mens en natuur.

Met de landbouw werd de verhouding en houding van de mens tot de natuur radicaal gewijzigd.  Er ontstaat de splitsing tussen wilde en gedomesticeerde natuur. De relatie tot de wilde natuur wordt antagonistisch, deze wordt een bedreiging, een vijand voor de mens en zijn gemaakte natuur. Terwijl jagers en verzamelaars zich onlosmakelijk verbonden voelen met de natuur, zich als in de natuur en als onderdeel van de natuur begrijpen, tracht de landbouwer de natuur aan zijn wil te onderwerpen en te beheersen.

Landbouw leidt tot bevolkingsgroei omdat de productie kan verhoogd worden door meer arbeid. Maar hoe meer de bevolking groeit en hoe meer de landbouw uitbreidt, hoe meer wordt landbouw tot een noodzaak, hoe meer wordt de weg terug naar de oude bestaansvorm van jagen en verzamelen afgesneden.

Het duurde meerdere duizend jaren voordat de nieuwe bestaansvorm van landbouw en veeteelt zich ten volle had ontwikkeld. Volgens sommigen kan de beginfase als een soort gouden tijdperk worden beschouwd. De oude en de nieuwe bestaansvorm bestonden nog naast elkaar en vulden elkaar aan. De landbouweconomie was kleinschalig en gericht op de familiale zelfvoorziening in onafhankelijke dorpsgemeenschappen. Het grondbezit was communal. Pas met de overgang naar meer grootschalige, monoculturele vormen van landbouw en de onderwerping van de dorpsgemeenschappen onder een centraal gezag, zou de landbouw een vloek geworden zijn.

Aan de landbouw hebben wij de last van de vermoeiende, aanhoudende, montone arbeid alsook de notie van het  privé-eigendom te danken.  

“De jagers-verzamelaarsgemeenschappen waren gebaseerd op gelijkheid, maar de sedentaire gemeenschappen leidden vrijwel direct tot toenemende specialisatie binnen de samenleving, tot de opkomst van religieuze, politieke en militaire elites en tot de vorming van staten die de macht hadden een hele samenleving te sturen. Aan deze veranderingen lag een nieuwe visie op de voedseleigendom ten grondslag. Voor jagers en verzamelaars zijn planten en dieren in het algemeen niet het ‘eigendom’ van individuen, maar van iedereen. Planten en dieren worden uit de natuur gehaald en de verdeling onder alle leden van de groep is in de regel aan strenge conventies onderhevig. Met de landbouw vond de gedachte ingang dat voedsel het eigendom was van individuen of grotere organisaties. De overgang naar het verbouwen van gewassen op akkers en het hoeden en fokken van dieren bereidde de weg voor de opvatting dat de gebruikte bronnen en het geproduceerde voedsel iemand’s ‘eigendom’ waren en de inspanning die dit systeem vergde in vergelijking met het jagen en verzamelen versterkte die opvatting.”[2]

Wie zich zelf wil onttrekken aan de last van het labeur, moet anderen ertoe aanzetten of dwingen een overschot te produceren dat hij zich kan toeëigenen. Dit is de elementaire grondslag van de beschaving. Zelfvoorziende producenten moeten overtuigd of gedwongen worden om naast de eigen bestaandsmiddelen ook nog de bestaansmiddelen voor een niet-productieve elite te produceren. 

“In de ruimste zin draaide de menselijke geschiedenis gedurende zo’n 8000 jaar na de opkomst van de gevestigde agrarische samenlevingen rond de verwerving en verdeling van het voedseloverschot en het gebruik dat daarvan werd gemaakt. De omvang van het overschot bij een bepaalde gemeenschap bepaalde aantal en omvang van andere - religieuze, militaire, industriële, administratieve en culturele - functies die de samenleving in stand kon houden.” [3]

Met de overgang naar de beschaving laat de mens de veiligheid, de geborgenheid en de solidariteit maar misschien ook de bekrompenheid van de tribale samenleving  voor een stuk achter zich. De beschaving verruimt immers de gezichtskring, bevordert de communicatie van ideëen en uitvindingen en zij vergroot vooral de collectieve macht.

Wezenlijke kenmerken van de beschaving zijn: land-stad-systeem, schriftcultuur, doorgedreven arbeidsdeling en specialisatie, sociale hierarchieën, gecentraliseerde machtsuitoefening, patriarchaat en oorlog.

De zogenaamde verworvenheden van de beschaving komen tot stand voornamelijk door dwang en blijven tot vandaag voorbehouden aan een kleine minderheid. De “gewone” mensen worden onbeduidende radertjes in het bestel van de beschaving. “In that sense”, aldus Mumford, “civilisation is one long affront to human dignity”.[4] En Horkheimer and Adorno constateren: “Schrecken und Zivilisation sind untrennbar. <...> Man kann nicht den Schrecken abschaffen und Kultur übrig behalten.”[5] 

Er is doorheen de geschiedenis veelvuldig contact geweest tussen de verschillende oude beschavingsgebieden en culturen, door handel vooral en door oorlog. De grote massa van de mensen was echter gebonden aan een bepaalde plaats, aan tradities en gewoonten, aan sociale verhoudingen die zo traag veranderden dat ze meestal onveranderlijk leken voor het individu. Maar vanaf de vijftiende eeuw werd vanuit Europa de bestaande wereld volledig overhoop gehaald. De moderne Westerse mens verschijnt op het toneel. Hij droomt van een een nieuwe wereld, van een nieuw begin, van een radicale bevrijding van de bekrompenheid, de dwang en de verminkingen van de oude wereld.

Twee tegenstrijdige aspiraties bezielen volgens Mumford de moderne Westerse mens: aan de ene kant de regressieve, kontraktieve utopie, het verlangen naar het herstel van de primitivie conditie,  een terugkeer naar de paleolitische of vroegneolitische samenleving met een leven zonder ongelijkheid, zonder onderdrukking, zonder overbodige luxe, in harmonie met de natuur, aan de andere kant de utopie van absolute macht, controle en veiligheid en van onbegrensde materiële rijkdom en comfort.[6]

Door de kolonisatie van andere werelddelen kon Europa zijn eigen ecologische grenzen doorbreken door zijn eigen bevolkingsoverschot te exporteren en een overvloed aan ecologische rijkdommen te importeren. Met behulp van deze ecologische rijkdommen kon het moderne machtscomplex uit wetenschap, technologie en kapitaal worden opgebouwd.

Dit moderne machtscomplex voltooid zich in het industrieel kapitalisme. Geldabstractie, winststreven, ruilwaarde, abstracte arbeid, concurrentie en schaarste zijn wezenlijke kenmerken van het kapitalisme. Ecologisch gezien betekent het kapitalisme de ontkenning van organische grenzen door de veronderstelling van een oneindige groei van monetaire rijkdom. Het industrieel kapitalisme betekent een radicale verandering zowel van de economische motivatie alsook van de morele waarden. Winst komt in de plaats van subsistentie als het voornaamste doel van het economische handelen.

“The transformation implies a change in the motive of action on the part of the members of society: for the motive of subsistence that of gain must be substituted. All transactions are turned into money transactions, and these in turn require that a medium of exchange be introduced into every articulation of industrial life. All incomes must derive from the sale of something or other, and whatever the actual source of a person’s income, it must be regarded as resulting from sale. <...> But the most startling peculiarity of the system lies in the fact that, once it is established, it must be allowed to function without outside interference.” [7]

De kapitalistische markteconomie stoelt op de fictie dat de natuur, de arbeid en het geld zelf  koopwaar zijn. Uit zelfstandige en zelfredzame subsistentieproducenten worden zodoende afhankelijke loonarbeiders die hun arbeidskracht moeten verkopen op de arbeidsmarkt. In het fabriekssysteem van de industriële productie wordt de arbeider een onderdeel van het productiemechanisme. Vanaf het begin staat hij in concurrentie met de machines.

De tweede industriële revolutie van de wetenschappelijke arbeidsorganisatie, het zogenaamde “fordisme” en “taylorisme” slaagde erin de productiviteit spectaculair op te drijven. De vermindering van de productiekosten maakte het mogelijk zowel de lonen te verhogen en de werktijd te verkorten alsook de winst op te drijven. De groeiende kloof tussen het productiepotentieel en het gebrek aan koopkracht door de hongerlonen van de arbeiders kon daardoor gedicht worden. De arbeiders moesten hierdoor de hoge prijs van een radicale objectivering en onderwerping aan het rythme van de machine betalen. 

In de jaren vijftig en zestig is er sprake van een “Wirtschaftswunder”: het kapitalisme lijkt getemd en eindelijk de lang beloofde algemene welvaart voort te brengen. Maar het wonder bereikt slechts een klein deel van de mensheid en is van korte duur. Reeds in de jaren zeventig moet de riem weer worden aangehaald, leidt de weg naar het beloofde land weer door conjunctuurdalen en tunnels en moeten er weer offers worden gebracht.  Ondertussen heeft zich het industrieel kapitalisme echter verder uitgebreid en is verder doorgedrongen in het maatschappelijke weefsel. Zo werd de loonarbeid van vrouwen veralgemeend waardoor de laatste restanten van subsistentie-economie en de daarbij horende bekwaamheden teloor gingen.

De derde industriële revolutie van de automatisering en informatisering en het neo-liberale wereldmarktkapitalisme leiden tot een “huisvrouwisering” (Maria Mies, Claudia von Werlhoff) van de arbeid.

“Housewifeisation of labour is the optimal strategy for capital it seems, to realise comparative advantage in a globalised economy, because women as mothers and caretakers are the cheapest and most exploitable of ‘cheap labour’.” [8]

“<...> in the Third World minimizing production costs is achieved above all by using the cheapest, so-called unqualified, young and mostly female labour, which those countries offer in ‘abundance’. <...> What is involved here is an unfree, ‘femalized’ form of wage labour, which means: no job permanency, the lowest wages, longest working hours, most monotonous work, no trade unions, no opportunity to obtain higher qualifications, no promotion, no rights, no social security.”[9] (p. 169)

De “huisvrouwisering” wordt ook in de rijke landen toegepast in de vorm van deregulatie en flexibilisering van de arbeid.

“Flexibilisation of work, in fact, means housewifeisation of work. <...> The dream of all capitalists is the universalisation of work-relations similar to those of housewives.” [10]

Veel van de nieuw geschapen jobs zijn “gehuisvrouwiseerde” jobs.

“They are badly paid, part-time, casual, without the protection of labour laws, non-unionised, short-term, atomised. There is a lot of homeworking, the exploitation of which is nowadays camouflaged by concepts like ‘self-employment’ or ‘entrepreneurship’. The deregulation of labour markets and the emphasis on a strong service sector follow exactly this line. Much of what is included in this service sector is nothing but commodified housework.” [11]

Er ontstaat een kapitalisme zonder proletariaat. Niet de vrije loonarbeider maar de huisvrouw is het paradigma voor de arbeid in het kapitalisme. Reguliere loonarbeid is te duur en moet door goedkope, flexible, altijd beschikbare, rechteloze en onbeschermde arbeid worden vervangen.

“Not the generalization of wage labour, but the generalization of housework is, therefore, the dream of all capitalists. There is no cheaper, more productive and more fruitful human labour, and it can also be enforced without the whip. I believe that the restructuring of our economy will involve the effort to reeducate the men and force upon them, as far as possible, the feminine work capacity.”[12]

“The Third World is <...> the ‘general-housewife’, the ‘world-housewife’ today, including Third World men. The relation between husband and wife is repeated in the relation between the First and the Third World.” [13]

Waar naartoe?

De moderne megamachine stoelend op de drie-eenheid van wetenschap, technologie en kapitalistische economie lijkt onoverwinnelijk en zonder alternatief. Voor de meesten is een terugkeer naar een voormoderne samenleving en economie volstrekt onvoorstelbar geworden en bovendien absoluut onwenselijk. De strategie van de neo-liberale propaganda bestaat erin de wereldmarkt, de concurrentiedwang, de geldabstractie, de abstracte arbeid enz. als vanzelfsprekend en natuurlijk te doen verschijnen.

Wat de opties en posities in het debat over alternatieven voor het neoliberale wereldmarktkapitalisme betreft kunnen in eerste instantie reformistische van revolutionaire opvattingen worden onderscheiden. Reformistische voorstellen willen wetenschap, technologie en industrieel kapitalisme “humaniseren” en “ecologiseren”. Revolutionaire standpunten pleiten voor de ontmanteling van de moderne megamaschine. Wat de revolutionairen betreft kan men verder twee hoofdstrekkingen onderscheiden: aan de ene kant de progressieve, socialistische positie, die de moderne wetenschap, technologie en het industrieel productieapparaat wil bevrijden van zijn kapitalistische vorm  en aan de andere kant de regressieve, anarchistisch-primitivistische positie, die niet slechts de kapitalistische vorm maar het hele industriële productieapparat, de moderne wetenschap en technologie achter zich wil laten voor een nieuw primitief bestaan vergelijkbaar met de vroegneolitische dorpsgemeenschappen of  nog radicaler de paleolitische leefwijze van jacht en pluk.

Reformistische posities:

- een hernieuwing van het keynsianisme

De wereldmarkt moet worden gereguleerd en bijgestuurd volgens sociale en ecologische normen door een sterke overheid. De voorrang van de politiek op de economie moet enigzins hersteld worden. Vandaag zal dit minder door de nationale staten als door globale instanties, de VN of een wereldregering moeten gebeuren. De doelstelling is een universalisering van de welvaartsstaat: iedereen moet kunnen delen in de geproduceerde welvaart; recht op onderwijs, op moderne gezondheidszorg, op veiligheid, op een gezond milieu, op werk. De strijd tegen de werkloosheid betekent het herstel van de loonarbeid; geen hongerlonen, het herstel van de massakoopkracht. Dit is de agenda van de vakbonden en van een groot deel van de anders-globalisten.

- Eco-reformistische concepten van een groen kapitalisme

 In 1999 verscheen van de hand van Paul Hawken, Amory and L. Hunter Lovins het lijvige boek Natural Capitalism waarin de absolute noodzaak en de haalbaarheid van een efficiëntierevolutie wordt beargumenteerd. (De benaming “natural capitalism” is vatbar voor verschillende interpretatie: een kapitalisme dat rekening houdt met de natuur - een kapitalisme dat in overeenstemming is met de natuur, dat natuurlijk is!) De centrale stelling en de blijde boodschap is dat een enorme reductie van het verbruik van energie en grondstoffen mogelijk is zonder dat wij onze welvaart moeten verminderen.

“<...> 90 to 95 percent reductions in material and energy are possible in developed nations without diminishing the quantity or quality of the services that people want.” [14](p. 176)

Kenmerkend voor de gangbare economie is een gigantische verspilling en inefficiëntie in het gebruik van het natuurkapitaal.

“It has been estimated that only 6 percent of its (the U.S) vast flows of materials actually end up in products. Overall, the ratio of waste to the durable products that constitute material wealth may be closer to one hundred to one. The whole economy is less than 10 percent - probably only a few percent - as energy-efficient as the laws of physics permit.”[15]

Met behulp van nieuwe technologieën en design, van de optimalisering van productie- en distributiesystemen kan de productiviteit van het natuurverbruik drastisch worden verhoogd. Een belangrijke voorwaarde voor de efficiëntierevolutie zijn de juiste economische randvoorwaarden: zoals de afbouw van subsidies voor milieuvernietigende en verspillende productie en ecologische belastingen op het natuurverbruik i.p.v. op arbeid. (natuur en arbeid blijven koopwaar, alleen hun relatieve prijzen veranderen!)

Een belangrijk principe van het “natuurlijke” kapitalisme is de overgang van een goederen- naar een diensteneconomie. Wij kopen goederen in eerste instantie omwille van de diensten die zij ons bewijzen: een wasmachine om ermee te wassen, een auto om ermee te rijden. De producent probeert ons o.a. met behulp van de reklame aan te zetten om zijn producten te kopen. In de gangbare economie moeten de behoeften voor de producten dijkwils kunstmatig worden opgewekt. In de nieuwe groene economie kopen wij rechtstreeks de diensten die wij nodig hebben, juist dan en zoveel wij deze nodig hebben.

Reformistische voorstellen zijn realistisch en pragmatisch.  Ze moeten de indruk wekken als of de oplossingen eigenlijk voor de hand liggen, dat de sociale en ecologische problemen oplosbaar zijn zonder al te revolutionaire veranderingen en zonder al te veel van de moderne verworvenheden te moeten prijsgeven. Wat in de weg van de oplossingen staat zijn gevestigde belangen en een deze belangen dienende en ondersteunende neoliberale ideologie. Er moet dus een politieke en ideologische strijd gevoerd worden om de grote meerderheid te doen geloven in de voorgestelde oplossingen.

Revolutionaire posities:

- ecosocialisme

Vele varianten met een gemeenschappelijke noemer: een andere, niet-kapitalistische economische motivatie en logica.

a) In een klassieke vorm zou dit neerkomen op een high-tech communisme. Wetenschap, technologie, het productieapparat, de samenleving en de politieke instituties worden bevrijd van de kapitalistische vorm, ze volgen niet meer blindelings de ontwikkelingsnoden van het kapitaal. Niet meer de markt maar de mensen zelf belissen onderling over aard en omvang van de productie, over de verdeling van lusten en lasten. Volgens de Duitse marxist Robert Kurz maken de nieuwe communicatie-technologieën een raden-democratische besluitvorming thans perfect mogelijk.

b) Meer ecosocialistisch is het project van een op de bevrediging van reëele behoeften gerichte duurzaamheidseconomie in de traditie van L. Mumford, E.F. Schuhmacher en I. Illich. Het concept van de efficiëntierevolutie moet het onderdeel worden van een meer omvattend alternatief, van een nieuw economisch denken.

Niet de verdere blinde groei en expansie van de megamachine maar de evenwichtige sociale en persoonlijke ontwikkeling moeten, aldus Mumford, voorop staan.

“We must center attention on quality, value, pattern, and purpose, as we once concentrated attention on quantity, on mechanical order, on mass and motion. <...> The restoration of the organic, the human, the personal, to a central place in our economy, is essential if we are to overcome the forces, that, without such over-all direction and control, are now driving our society very closer to internal disintegration and external destruction.”[16]

De geld-economie moet plaats maken voor een levenseconomie of ook een “biotechnic economy”.

“What we need is a balanced economy, which will put the needs of life before the claims of profit, prestige or power.”[17]

Een dergelijke evenwichtige economie is een regionale economie.

“Under a regime of economic regionalism, industries would be varied and balanced locally in order to secure a varied and balanced life.” [18]

Economisch regionalisme betekent voor Mumford geenszins regionale autarkie.

“regionalism implies an inter-regional framework: ultimately a world culture on every plane.” (1938, p. 366)

“The task of modern civilisation is to live in a wall-less world.” [19]

 Het democratisch beheer van de regionale economie:

“Political life, instead of being the monopoly of remote specialists, must become as constant a process in daily living as the housewife’s visit to the grocer or the butcher, and more frequent than the man’s visit to the barber. <...> All rational politics must begin with the concrete facts of regional life, not as they appear to the specialist, but as they appear first of all to those who live within the region.”[20]

Een biotechnische economie wordt niet gestuurd door het winststreven maar door kwalitatieve standaards en rationele doelstellingen.

Mumfords ideeën zijn een rijke bron van inspiratie voor een sociaal rechtvaardige en ecologisch duurzame economie die eerder coöperatie en solidariteit, autonomie en persoonlijke groei bevordert dan naijver en medogenloze concurrentie, winsthonger en machtswellust, onverzadigbaarheid en afhankelijkheid.

Belangrijke instrumenten voor de transformatie van de industriële groei-economie in een duurzame behoeften-economie: het onvoorwaardelijke basisinkomen, hervorming van het belastings- en subsidiestelsel, ontwikkeling van lokale economieën, van nieuwe economische indicatoren, verandering van de “terms of trade” in de wereldhandel.

- eco-anarchisme of anarcho-primitivisme

Kenmerkend voor deze meest radicale posities is de afwijzing niet slechts van de kapitalistische organisatievorm maar van de (moderne) beschaving als dusdanig, dus van moderne wetenschap en technologie, van de industriële productie, van de arbeidsdeling, de staat, van alle hiërarchische verhoudingen, van het patriarchaat. De hele geschiedenis van de beschaving is een dwaalweg, ze staat in het teken van de macht van enkelen over de velen, in het teken van onderdrukking, uitbuiting en roofbouw, in het teken van ontworteling en vervreemding. Vooral in de hol van de leeuw, in de V.S., bestaat thans een beschavingskritisch en neo-primitivistisch discours. Niet slechts de moderniseringsgeschiedenis maar de geschiedenis van de hele beschaving wordt als dwaalweg beschouwd die ons steeds heeft verwijderd van psychische gezondheid, en van het sociale en ecologische evenwicht. Meestal wordt de neolitische revolutie als het negative keerpunkt  beschouwd en een radicaal verschil geponeerd tussen de pre-neolitische of vroegneolitische bestaansvorm en de beschaving. Hierbij kan men zich beroepen op de resultaten van het paleoantropologische en ethnologische onderzoek  van de voorbije decennia naar tribale samenlevingen.   

“Life before domestication/agriculture was in fact largely one of leisure, intimacy with nature, sensual wisdom, sexual equality, and health. This was our human naure, for a couple of million years, prior to enslavement by priests, kings, and bosses.”[21]

"Cynergetic people are leisured, generous, hospitable. They do not stockpile possessions or children. Their only private property is personally. Among them, social reciprocity and sharing are normal events, not a charity. The aged are active, revered members of society. <...> The men are deeply attached to place and home, yet are mobile and free of defensive boundary fixations. Among them leadership is advisory rather than executive. Action is taken by consent. Their populations are not expansive. Group aggression, plunder, slavery, do not exist. There is no political machinery, little feuding, and no war.[22]

De beschaving is volgens deze strekking niet zonder aantrekkelijk alternatief. De mens zal op lange termijn slechts in vrede kunnen leven met zich zelf en met de menselijke en niet-menselijke ander in een primitieve samenleving en in een economie van de eenvoudige reproductie. John Zerzan wil zelfs terug voor het ontstaan van de taal, van het tellen en van het tijdsbewustzijn.

“<...> as soon as a human spoke, he or she was separated. This rupture is the moment of dissolution of the original unity between humanity and nature; it coincides with the initiation of division of labor. <...> The beginning of humankind’s separation from and conquest of the world is thus located in the naming of the world.” [23]

“There is a profound truth to the notion that ‘lovers need no words’. The point is that we must have a world of lovers, a world of the face-to-face, in which even names can be forgotten, a world which knows that enchantment is the opposite of ignorance. Only a politics that undoes language and time and is thus visionary to the point of voluptuousnes has any meaning.”[24]

Vragen

De wereld gaat gebukt onder schrijnende sociale onrechtvaardigheden, maatschappelijk verval en ecologische afbraak. De neoliberale propaganda moet ons doen geloven dat er geen valabel alternatief is voor het wereldmarktkapitalisme, voor de industriële megamachine, voor de permanente wetenschappelijk-technologische revolutie en dat ons absoluut niets anders rest dan mee te hollen, ons aan te passen en onze concurrent trachten voor te zijn.

Is er een terugkeer naar het keynsiansme, naar de klassieke sociaaldemocratische regulering van de economie, naar een meer gerechte verdeling van het globale inkomen, voldoende om de globale problemen op te lossen? Is het doel het tot stand brengen van een globale welvaartsstaat zoals wij die gekend hebben in de jaren vijftig en zestig?

Laat zich de moderne megamachine humaniseren en ecologiseren? Moeten wetenschap, technologie alsook economische productie en consumptie hiervoor niet bevrijd worden van de kapitalistische vorm? Moeten zij niet gestuurd worden door andere motieven, door andere waarden en normen dan de maximalisering van winst, de verovering van markten, de concurrentiestrijd en de opwekking van steeds nieuwe behoeften?

Zijn de moderne Westerse wetenschap en technologie echter niet als beheersings-, onderwerpings- en uitbuitingsweten en -techniek geconcipieerd? Zijn industriële productie en consumptie omwille van hun schaal en complexiteit niet inherent vervreemdend en ecologisch destructief? Is er een (duale) economie denkbaar waarbinnen wetenschap, moderne technologie en grootschalige industriële productie slechts een beperkte plaats hebben in een afgebakende sector van de economie?

De ideologie van de beschaving verkettert de hunkering naar het primitieve bestaan als naïf en regressief romantisme, als idealisering, als Rousseauisme. De mens is geroepen om meer te zijn dan een aan zijn ecologische nis aangepaste soort. Hij moet zich ontwikkelen tot  bewustzijn en zelfbewustzijn, hij moet zich bevrijden van de onmiddelijkheid en van het concrete hier en nu. Hij moet zich zelf bepalen en een menselijke wereld stichten. De mens als natuurwezen is onaf, zuivere potentialiteit die wacht om ontplooid te worden in een geschiedenis van groeiende (zelf)bewustwording. Er is, volgens de ideologie van de beschaving geen weg terug naar de onschuld van het dier en naar het paradijs van de onmiddelijkheid.  Wij zijn voorgoed afgesplitst van de oorsprong.

Is de beschaving als dusdanig niet van begin af aan een machtsproject dat de overgrote meerderheid wordt opgedrongen door een kleine elite? Staat beschaving niet gelijk aan onderdrukking, uitbuiting, patriarchaat, oorlog en ecologische afbraak? Wat is de waarde van de zogenaamde “verworvenheden” van de beschaving? Zijn niet alle grote wijsheidsleraren van de mensheid in feite primitivisten geweest?

Wij zijn op zoek naar een nieuwe en betere bestaansvorm voor de mensheid. Jacht en pluk, tuinbouw, sedentaire landbouw, nomadische veeteelt en industriële productie zijn de vijf fundamentele reproductiewijzen in onze soortgeschiedenis tot nu toe. De tribale samenleving, de traditionele hiërarchisch gestructureerde beschaving van de landbouwrijken en de functioneel gedifferencieerde, moderne, industrieel-stedelijke beschaving zijn de drie fundamentele types van samenleving die zich in de loop van de geschiedenis hebben ontwikkeld. De discussie over alternatieven zal niet anders kunnen dan naar deze paradigma’s te refereren. De vraag die zich opdringt is of wij uitgaan van de onomkeerbaarheid van de modernisering - er is maar één weg naar een betere wereld, de weg van de verdere modernisering, de gebreken van de modernisering tot nu kunnen slechts door een reflexieve modernisering, een modernisering van de modernisering worden overwonnen - of moeten wij, zullen wij op onze historische stappen terugkeren, is de moderne tijd, zijn moderne wetenschap en technologie, zijn industriële massaproductie en -consumptie, is het hele project van de moderne emancipatie door de mobilisatie van mens en natuur een dwaalweg die ons en de hele natuur naar de vernietiging leiden?

.


 

[1] Zie Colin Tudge, Neanderthals, Bandits and Famers. How Agriculture really Began (Weidenfeld & Nicolson: London, 1998); Richard Routley, The Lost Civilizations of the Stone Age (Touchstone: New York, 1999) en Paul Shepard, Nature and Madness (University of Georgia Press: Athens & London, 1998).

[2]  Clive Ponting, Een groene geschiedenis van de wereld  (Amber: Amsterdam, 1992), p. 72.

[3] Ibid.

[4] Lewis Mumford, The Transformation of Man (Peter Smith: Gloucester, Mass., 1978), p. 39.

[5] Max Horkheimer, Theodor W. Adorno, Die Dialektik der Aufklärung. Gesammelte Schriften. Band 5 (Fischer: Frankfurt a.M, 1987) p. 247.

[6] Zie Lewis Mumford, The Myth of the Machine. The Pentagon of Power (Harcourt Brace Jovanovich: New York, 1970), p. 1 - 24. 

[7] Michael Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of our Time (Beacon: Boston, 1957), p. 41.

[8] Maria Mies, Veronika Bennholdt-Thomsen, The Subsistence Perspective. Beyond the Global Economy  (Zed: London and New York, 1999), p. 37.

[9] Claudia von Werlhoff, p. 169.

[10] Maria Mies, p. 47.

[11] Ibid.

[12] Claudia von Werlhoff, “The Proletarian is Dead. Long Live the Housewife!, in: Women: the Last Colony, Maria Mies, Veronika Bennholdt-Thomsen, Claudia von Werlhoff (eds.) (Zed: London, 1988), p. 179.

[13] Ibid, p. 177.

[14] Paul Hawken, Amory and L. Hunter Lovins, Natural Capitalism. Creating the Next Industrial Revolution (Little, Brown and Company: Boston, New York, London, 1999), p. 176.

[15] Ibid., p. 14.

[16] Lewis Mumford, Interpretations and Forecasts: 1922 - 1972. Studies in Literature, History, Biography, Technics and Contemporary Society (Harcourt Brace Javanovich: New York, 1973), p. 290.

[17] Ibid., p.

[18] Lewis Mumford,  The Culture of Cities (Harcourt, Brace and Company: New York, 1938, ). 345).

[19] Ibid, p. 370.

[20] Ibid, p. 383.

[21] John Zerzan, “Future Primitive”, www. primitivism.com, p. 1.

[22] Paul Shepard, The Tender Carnivore and the Sacred Game (Charles Scribner’s Sons: New York, 1973), p. 144f.

[23] John Zerzan, “Origin and Meaning”, www.primitivism.com,  p. 4.

[24] Ibid., p. 8.

 

 


einde